

medium BO Magazine
publicatie November 2018
INTERVIEW
Landschapsfilosoof Benoît Fondu
In dialoog met het groen
Met een zeldzame helderheid, beslistheid en filosofische inslag weet Benoît Fondu te boeien. Hij creëert geen tuinen en landschappen voor tien, twintig of dertig jaar, ze moeten tijdloos zijn en beter, meer volwassen worden, met de jaren. Zoals goede wijn. Deze groene duizendpoot heeft een eigen, zeg maar eigengereide wijze van denken en doen. Een verademing in onze samenleving, waar oppervlakkigheid en individualisme troef zijn.
Holistisch landschap
Aandacht voor kwaliteit, het loopt als een rode draad door het leven van Benoît Fondu en ook door één van de meest intrigerende hoofdstukken van zijn carrière, het provinciaal domein van Chevetogne in de provincie Namen. 550 hectare groen voor natuurliefhebbers. “Ons werk hier is site attached, zoals de Engelsen zeggen, een verschil met tuinarchitecten die one shot afleveren en een volgend project aanvatten. De aanleg verliep in verschillende fasen, nam meerdere jaren in beslag en is eigenlijk nooit afgewerkt. Hier kan ik multidisciplinair werken, met ludieke zowel als educatieve projecten. We werkten verschillende paden uit, het pad van de bloemen, de bosweg, het ornithologisch pad, in totaal zeventien biotopen.” Het beheer van dit en andere domeinen is van het hoogste belang voor de landschapsminnaar. Onze landgenoot gaat voor een zachte aanpak, leidt de mensen op die het domein beheren en wekt de interesse van jongeren.
“Ons vak is niet enkel landschappen ontwerpen, maar ook zorgen dat ze gebruikt worden. Open ruimtes staan onder enorme druk. Wij moeten antwoorden bieden. Een holistisch concept. Daar zit wat Rousseau in, de Engelse spirit van respect voor landschappen ook. Ik voel me daar goed bij. We beogen sinds kort hetzelfde op het domein van Hofstade. Mensen hebben niet veel meer nodig dan grote ruimtes met bomen. Oorspronkelijk waren parken voor de bourgeoisie, nu zijn ze van het volk. Ook in de Marollen zijn we bezig met een project. In bepaalde talen bestaat het woord ‘park’ of ‘tuin’ zelfs niet. Allochtonen weten niet wat ze er moeten doen. Dat is het probleem van de res publica, de gedragscode in het openbaar. Hoe wil de maatschappij publieke domeinen gebruiken? Een fundamentele vraag waarop een landschapsarchitect antwoord kan geven.”
Hoge hagen
Inventief over onze levensomgeving nadenken, rekening houdend met de natuurlijke en culturele geschiedenis. Een landschap aantrekkelijker en leefbaarder maken, dat is het in een notendop. Zelfs een leek weet dat er in ons land veel werk aan de winkel is. “Vlaanderen is bekend om haar mooie tuinen. Maar een tuin moet meer zijn dan een stukje grond dat aansluit bij de woning. De vele verkavelingen in ons land zijn schadelijk: huizen met zowel links als rechts drie meter tuin en vervolgens de traditionele hoge haag. Van het ogenblik dat je een haag rond je tuin zet, beperk je je gezichtsveld enorm. Onze microkosmos wordt op een tribune gezet. Wij leven zodanig binnen onze muren en kijken bijna denigrerend naar wat erbuiten gebeurt. Dat is cultureel en zie je niet in protestantse landen als Nederland en Denemarken. Ik pleit voor betere woonclusters, met misschien kleinere private tuinen die ogenschijnlijk opgaan in grotere gemeenschappelijke open ruimtes. Waar zie je dat wel? Langs de golfterreinen van Knokke en Sint-Martens-Latem. Maar dat is om een andere reden. Nederland bijvoorbeeld kenmerkt zich door een grotere visuele openheid en vooral geen blijk van rijkdom.”
Met een 4B potlood
Vergezichten is een thema dat Benoît Fondu veel ter sprake brengt. Hij verdedigt zijn mening. “De eerste richtlijnen voor een toekomstige tuin komen van de omgeving. Groen is voor velen een primaire behoefte, maar onze job gaat zoveel verder dan groenaanleg. Een boom is te vaak een steriel object, straatmeubilair. Voor mij leeft een boom. Onlangs zag ik een man de vogels voederen. Net onder een boom. Het was bijna een sacrale plek. Het grote gevaar in ons vak is de informatisering. Met een 3D-voorstelling en photoshop kan je veel verkopen, maar waar blijft het gedachtegoed? Ik vrees voor het failliet van de echte tuinambacht.”
“Ik teken nog op papier, met een 4B potlood en een gom. Vooral in de winter. Ik noem het armchair-gardening of tuinieren in de leunstoel. Ik ben een dromer. Nadenken, boeken bekijken, plannen bekijken en verbeteren, wegdromen, in perspectief denken,... Is het goed bedacht, dan kan je het ook goed uitleggen. ’s Winters moet een tuin rusten en voor mezelf is het een ideaal moment om te verlangen naar de komende lente. Dan lees ik over planten, want zijn de lijnen de scenografie, dan zijn planten het raamwerk van de tuin. Onze job staat onder druk, maar in principe zijn we toch allemaal optimisten. Nu, in de lente, gaan onze vingers pas echt aan het kriebelen.”
Geen Fondu-tuin
Zijn ontwerpen laten zich niet vatten in één stijl. Benoît Fondu heeft geen leidmotief, in de zin dat je zijn tuin kan herkennen als dusdanig. Welke stijl hij ook hanteert, een ziel is wel telkens aanwezig. “Voor hij Utopia (1516) schreef, was Thomas More ambassadeur in Vlaanderen. Hij zag onze private tuinen en schreef later het ideaalbeeld van eenieder met een eigen tuin, een klein paradijs, waar je je goed voelt. Niet dat ik continu achter het paradijs aanhol. Ik zie mijn taak vooral als scenograaf, scènes creëren, waar mensen zich goed voelen. Mensen hebben kleur, zon en schaduw nodig. Maar dan begint het pas. Een mens op leeftijd heeft meer nood aan gele bloemen. Een ander ziet graag rood, maar welk rood? Een ontwerp heeft iets van een ontdekkingstocht. Ik stel veel vragen aan mijn opdrachtgevers, er groeien intense contacten. Ik wil weten wat de mensen lezen, waar ze heen gaan, welk interieur ze hebben. Ik wil iets maken waar zij zich goed voelen. Ik teken vervolgens hoe ik het zou willen als ik er zou wonen. Een goed tuinarchitect heeft l’aimable mee, het vriendelijke.”
“Het begint met een correcte voorstudie, maar het consulteren van the genius of the place is minstens zo belangrijk. Rondkijken dus, ook naar de architectuur van de woning. Het globaal en holistisch denken. Ooit vroeg iemand mij een tuin te tekenen, temidden van een prachtig landschap. Kijk eerst naar wat je hebt. Soms zijn enkele rozen links en rechts voldoende. Wat moet je veranderen als je over visuele luxe beschikt? Het omgekeerde sluit dan weer geen deuren. Woon je volledig en hoog ommuurd, schitterende tuinen blijven mogelijk. Er bestaan charmante achtertuinen zonder planten. Een plek heilig maken, zich de plek eigen maken, daar draait het om. Daarom weiger ik voor Russen en Albanezen te werken. Zij hebben wel geld, maar geen gevoel voor patrimonium. Zij betalen voor de hypes, de luxe.”
Zonder kopzorgen
Ontwerpen worden geboren uit gezamenlijk overleg. Startend met wat men wil investeren, in geld, maar ook in tijd. “Wie zijn tuin wil (her)inrichten, moet goed luisteren naar zichzelf. Hou je niet van tuinieren, kies dan voor een onderhoudsvriendelijke tuin. Wie een gemakstuin wil, geeft dit best zo vlug mogelijk aan. De tuin mag geen kopzorg zijn, maar moet vakkundig en technisch in orde zijn. The garden must think for itself, daar kan ik me wel in vinden. De tuin is een leefplaats, waar men zich goed voelt. Een ruimte die uitnodigt om buiten te leven en een rustpunt na een zware dagtaak. Voor teveel mensen is een tuin een werkplaats.”
Volgens Benoît Fondu zegt een tuin heel wat over haar bezitters. “Net zoals een interieur is het een autobiografie. De mooiste tuinen zijn deze gemaakt door de bewoner zelf. Eenieder mag zeggen dat zijn tuin de mooiste is. Voor velen is tuinieren nog één van de weinige creatieve facetten in het leven. Wie ben ik om andermans creaties te beoordelen? Mensen moeten wel geduld hebben tot hun tuin, tuin is geworden. De natuur heeft tijd nodig om wonderen te verrichten. Investeer goed in de grond, want het is basis.”
Festina lente
In de beperking toont zich de meester. Fondu studeerde in Groot-Brittannië en Japan. Tekort in dat laatste land, zegt hij zelf. Maar vraag hem niet om een Japanse tuin te tekenen. “Ik ben geen Japanner, spreek de taal niet. Ik kan nooit een Japanse tuin tekenen. Ik vind wel de spirit terug, kan er ook lessen uit trekken. Momenteel ontwerp ik een klein tuintje voor een zwaar gehandicapte dame. Ik zou haar zo graag vanuit haar rolstoel laten wegdromen in haar tuin. Manueel kan ze het niet. Daar is een spirit voor nodig. Die vind je wel in Oosterse tuinen. Ik wil een brug slaan tussen ons cartesiaans perspectief en Japanse ideeën.
“Daar zit ook het verschil in diverse tuinen. Franse tuinen zijn denktuinen, les jardins de l’intelligence. Japanse tuinen leunen aan bij mindscaping, een gedachte die in het hoofd moet zitten. De tuin van Ryōan-ji bijvoorbeeld, een tempel in Kyoto, met 15 stenen, waarvan iedereen de eigen symboliek mag bedenken. We hebben nog veel te lezen. Dat vind ik niet erg. Je moet wakker blijven. Ik droom van creaties in Moorse landen. Ik ga voor mijn vak, traag maar zo goed mogelijk, Festina lente.”
